1.Ten geleide

De laboratoriumgids is bestemd als leidraad bij de afname / collecte van monsters voor laboratoriumontledingen. Gegevens die de interpretatie van resultaten vergemakkelijken zijn eveneens ingelast. 

De gegevens zijn gegroepeerd in 5 secties :

1. de naam van de test, met eventueel een aanvullende omschrijving en het vereiste specimen; de rangschikking is alfabetisch, zonder rekening te houden met cijfers aan het begin van de naam

2. het laboratorium dat instaat voor de uitvoering van de test, zijn telefoonnummer of dat van de contactpersoon: zie "lijst van telefoonnummers, faxnummers en e-mailadressen", de nummers van de eventuele cumul- en diagnoseregels, beschreven in de documenten "Diagnoseregels" en "Cumulregels", t.h.v. de laboratoriumgidsindex

3. bijzondere afnamecondities worden vermeld met opgave van bewaarcondities

4. de te gebruiken recipiënt (UZ Brussel) is met een code aangegeven, omschreven in de "lijst van recipiënten", de vereiste hoeveelheid van het specimen (volume of gewicht), de frequentie van uitvoering en de minimum antwoordtijd

5. voor de meeste ontledingen worden referentiewaarden of richtlijnen voor de interpretatie van de resultaten opgegeven

Dit repertorium kwam tot stand dankzij de nauwe samenwerking tussen de verschillende laboratoria en de dienst informatieverwerking. Het wordt op regelmatige basis aangevuld of verbeterd.

Voor opmerkingen, suggesties of commentaar kunt u terecht bij Prof. Dr. Martine Vercammen (martine.vercammen@uzbrussel.be; tel. 02-477 39 96

Verantwoordelijke uitgever: Prof. Dr. Frans Gorus

2.Aanvragen van laboratoriumontledingen

Noodzakelijke gegevens

  • correcte identificatie van de patiënt: (meisjes)naam, voornaam, adres, geboortedatum en geslacht, INSZ-nummer is onontbeerlijk (vanaf 01/01/2006)
  • naam, RIZIV-nummer en handtekening aanvragende geneesheer
  • in geval van onderaanneming: een document, bevattende: patiëntgegevens (o.a. status Ambulant/Gehospitaliseerd), identificatie van het aanvragende laboratorium en aard van de verstrekkingen
  • aanvraagdatum, collectedatum en –tijd
  • klinische verantwoording (zie sommige diagnoseregels = wettelijke verplichting)
  • feces- en urinecollectes: collecteduur verplicht, collectevolume eveneens indien het UZ Brussel slechts een fractie ontvangt
  • vochten: aard van het vocht
  • serologie: in het kader van de terugbetaling door de RIZIV, strikt het maximum aantal ontledingen per groep respecteren
  • 3.Afgifte en omhaling monsters

    3.1 Afgifte


    Via buispostsysteem

    Centraal trieercentrum
    (verdieping 0, Louis Tielemanspaviljoen)

    Trieercentrum microbiologie

     (verdieping –1,  Kinderziekenhuis)

    Weekdagen

    Zie procedure buispostsysteem

    24h/24h

    8h00 – 20h30
    Dringende monsters die niet bestemd zijn voor microbiologie niet afgeven op trieercentrum microbiologie!

    Zat-, zon- en feestdagen

    Zie procedure buispostsysteem

    24h/24h

    14h00 – 21h00

    Noot:

    Bloedtransfusie: dringende monsters  moeten steeds op de dienst zelf afgegeven worden.

    Microbiologie: tussen 08h00 en 21h00 dienen dringende monsters bestemd voor microbiologie steeds op het trieercentrum microbiologie afgegeven te worden

    3.2 Algemene omhaling


    UZ Brussel

    UZ Brussel Kinderziekenhuis

    Bloedafname (polikliniek)

    Weekdagen

    7h45 – 8h00
    verpleegeenheden
    uitgezonderd intensieve verzorging

    8h10 – 8h25
    intensieve verzorging

    8h45 – 9h00
    verpleegeenheden
    uitgezonderd intensieve verzorging

    9h00 – 13h00
    om het uur, alle verpleegeenheden

    8h00 – 13h00: 1x per 30 min.
    13h00 – 16h00: 1x per uur

    Zat-, zon- en feestdagen

    7h45 – 8h30
    alle verpleegeenheden

    9h00 – 12h00
    om het uur, alle verpleegeenheden


    3.3 Omhaling Microbiologie

    Weekdagen

    Consultaties (CKNO,  CGYN, CURO, CDER): om 15h00, inclusief monsters anatomopathologie
    Na 15h00: CGYN op verzoek

    3.4 Anatomopathologie (zie punt 4.5)

     

    4.Monstername: algemene opmerkingen

    De monstername is een essentieel onderdeel van alle laboratoriumonderzoeken. Een correcte monstername draagt dus bij tot de kwaliteit van de resultaten. Onnauwkeurigheden kunnen onderzoeken onmogelijk maken of artefacten induceren, die het diagnostisch proces ondermijnen.
    Wees bijzonder aandachtig voor:

    4.1. Bloedafname
    Tenzij speciaal aangeduid, wordt veneus bloed afgenomen (macroafname) of capillair bloed (microafname). Arterieel bloed wordt praktisch uitsluitend gebruikt voor bloedgassen en bloed-pH. Een snoer mag gebruikt worden voor het afspannen van oppervlakkige aders maar langdurig gebuik van een snoer dient vermeden; het laten uitoefenen van armspierconcentraies is eveneens nadelig.

    4.1.1. Macroafname
    Klinische Chemie en hematologie: aard en aantal buisjes zijn gemakkelijk af te leiden van het aanvraagformulier. Volgende chemische ontledingen kunnen op één goed gevulde H 5-buis gebeuren: glucose, ureum, creatinine, natrium, kalium, chloride, bicarbonaat, CK, LDH, AST, ALT, alkalische fosfatase, g -GT, pseudocholinesterase, CK-MB, totaal en direct bilirubine, albumine, calcium, fosfor, magnesium, urinezuur, cholesterol, HDL-en LDL-cholesterol, triglyceriden, ijzer, totale ijzerbindingscapaciteit en osmolaliteit.
    Radioimmunologie: de hoeveelheden bloed nodig voor elke ontleding optellen (zie aanvraagformulier).
    In geval van ontledingen in onderaanneming worden, tenzij volbloed vereist is voor bepaalde ontledingen, enkel plasma of serum aanvaard.

    4.1.2. Microafname
    Voor bloedafname bij kinderen gelden de hieronder vermelde hoeveelheden. Echter, er kan steeds van de voorgestelde afnamebuizen afgeweken worden naargelang de toestand van het kind en/of aard van de pathologie.

    Opmerking: de vermelde volumina houden rekening met volledig gevulde afnamebuizen.

    Ontledingen

    Micro-afname

    Doelgroep = kinderen minder 4 maand oud

    Mini-afname

    Doelgroep = kinderen tussen 4 maand en 6 jaar

    glucose, ureum, creatinine, natrium, kalium, chloride, bicarbonaat, CK, LDH, AST, ALT, amylase, lipase, alkalische fosfatase, g-GT, PCHE, CK-MB, totaal-, direct- en neonataal bilirubine, albumine, calcium, fosfor, magnesium, triglyceriden, urinezuur en ijzer

    1x H micro 0.3 per 4 ontledingen

    1x H mini 1.2

    CRP, TIBC, digoxine, theofylline, gentamicine, amikacine, vancomycine, fenobarbital, fenytoïne, carbamazepine en valproïnezuur

    1x H micro 0.3 per ontleding

    1x H mini 1.2
    aminozuren 2x H micro 0.3 1x H mini 1.2

    ammonia

    1x H micro 0.3 op ijs

    1x H mini 1.2 op ijs

    cafeïne

    1x H micro 0.3

    1x H mini 1.2

    clonazepam 1x H mini 1.2 1x H 5
    hemoglobine A1c 1x HbA1c micro 1x HbA1c micro

    hematologisch onderzoek  + bezinkingssnelheid

    1x EDTA mini 1.2

    1x EDTA mini 1.2

    hematologisch onderzoek

    1x EDTA micro 0.5

    1x EDTA mini 1.2
    hemostase screening 1x CIT mini 1.4 1x CIT mini 1.4

    lactaat

    1x G mini 1.2 op ijs

    1x G mini 1.2 op ijs
    lamotrigine 1x H micro 0.3 1x H mini 1.2

    pH

     

    2 geheparineerde capillairen (CAP), goed gevuld, zonder luchtbellen; metalen staafje inbrengen, afsluiten met plastieken afsluitdopjes, mengen met magneet, in plastieken buis steken ter bescherming, vervoeren in gemalen ijs

    geheparineerde spuit

    totale proteïnen

    1x S micro 0.3

    1x S mini 1.2

    totale proteïnen + elektroforese

    2x S micro 0.3

    1x S mini 1.2

    serologische ontledingen (microbiologie)

    1x S micro 0.3 per ontleding

    1x S mini 1.2 per 4 à 6 ontledingen

    4.2. Urinecollectes voor chemische analyses
    De meeste chemische ontledingen in urine moeten op een 24-h collecte uitgevoerd worden, voornamelijk omdat de excretie van de meeste urineconstituenten een dagritme vertoont. Onmiddellijk na het ontwaken (tijd 0, dag 1) ledigt de patiënt zijn blaas. Deze eerste urinelozing wordt weggegooid. Van dan af worden alle urinelozingen verzameld in een adequate bokaal (zie lijst van recipiënten) tot en met de ochtendurine (tijd 0, dag 2) van de volgende dag. De volledige collecte (zelfs indien het meerdere bokalen betreft) wordt daarna naar het trieercentrum gebracht. Indien een klaring aangevraagd is, wordt een bloedmonster genomen tijdens de periode van collecte (liefst middenin). De bepaling van de hoeveelheid creatinine uitgescheiden per 24h kan als controle dienen voor de volledigheid van de urinecollecte. Korte collectes kunnen in bepaalde gevallen nuttig zijn.

    4.3 Afname van een urinemonster met de midstream techniek

    4.3.1 Bij de vrouw
    1. Was zorgvuldig de handen met zeep.   2. Open de schaamlippen.
    3. Douch de vulva of gebruik vochtige doekjes; maak dan één enkele beweging van voor naar achter en herhaal dit 3 maal;gebruik telkens een ander doekje.
    4. Droog de vulva af: maak één enkele beweging van voor naar achter met absorberend papier.
    5. Begin te urineren in het toilet.
    6. Dan, zonder de straal te onderbreken, vangt U ongeveer 50 mL urine op in het plastieken potje. Raak de binnenkant van het potje niet aan met de handen.
    7. Wanneer de gevraagde hoeveelheid urine in het plastieken potje aanwezig is, kan U verder in het toilet urineren.
    8. Geef het urinepotje af aan de verpleegkundige.
    4.3.2 Bij de man
    1. Was zorgvuldig de handen met zeep.  2. Ontbloot de eikel.
    3. Douch de eikel of reinig met vochtige doekjes.
    4. Droog de eikel af met absorberend papier.
    5. Begin te urineren in het toilet.
    6. Dan, zonder de straal te onderbreken, vangt U ongeveer 50 mL urine op in het plastieken potje. Raak de binnenkant van het potje niet aan met de handen.
    7. Wanneer de gevraagde hoeveelheid urine in het plastieken potje aanwezig is, kan U verder in het toilet urineren.
    8. Geef het urinepotje af aan de verpleegkundige.

    4.4. Monsters voor microbiologie
    Het materiaal nodig voor monstername en transport is te bekomen in het magazijn van de centrale sterilisatie, uitgezonderd enkele specifieke transportmedia die af te halen en/of verdeeld worden door het laboratorium microbiologie: W1-UTM, W2, ANA-V, ANA-W en bloedkweekflessen (B-AER, B-ANA en B-MYCOB).

    Controleer het materiaal op vervaldatum voor ingebruikneming. Monsters voor microbiologie steeds transporteren in de aangepaste transportmedia. Materiaal nooit transporteren in spuit en naald (veiligheid). Urinekweken, virus- en Chlamydiakweken moeten op ijs getransporteerd worden. Voor meer informatie over monstername en resultaten: zie lijst van recipiënten en repertorium.

    4.5 Werking anatomopathologielaboratorium

    4.5.1. Algemene richtlijnen

        Elk weefselmonster dient zorgvuldig te zijn gelabeld met de identificatiegegevens van de patiënt (zie §2) en vergezeld te zijn van een behoorlijk ingevuld aanvraagformulieranatomo-pathologie (blauw formulier voor weefselmonsters, roze formulier voor cytologische monsters, groen formulier voor Moleculaire Pathologie).

          De fixatie van weefselmonsters gebeurt onmiddellijk na afname in minimaal 10x volume neutraal gebufferde formol 4% (= gebufferde formaline 10%) bij kamertemperatuur. Recipiënt BIOPT F. Recipiënten met fixatief zijn verkrijgbaar op de dienst Anatomo-Pathologie (tel 5091).  De fixatietijd van weefselstukken moet finaal liggen tussen 6 en 48 uur. Hiervoor is het absoluut noodzakelijk dat voor elk monster datum en uur van afname op het aanvraagformulier vermeld worden. 

          Uitzonderingen:

    -  testisbiopt: fixatie in Recipiënt BIOPT-B

    -  nierbiopt: setje NIER afhalen na telefonische aanvraag in labo anatomo-pathologie, de dag van de bioptname (tel 5091)

    -  spierbiopt: setje SPIER afhalen of aanvragen in labo anatomo-pathologie, de dag van de bioptname (tel 5091)

    -  huidbiopt voor directe immunofluorescentie: in petriplaat met vochtige compres (fysiologisch serum)

    -  biopten voor immunotypering lymfoom: droog in goed gesloten potje of buis

    -  biopten voor elektronenmicroscopie: fixatie van fragmenten nooit groter dan 2mm in recipiënt “GLUT”.

    -  leverbiopten voor enzymbepalingen: in buisje met fysiologisch serum

    -  colonbiopten  voor histo-enzymologie(ziekte van Hirschsprung): in buisje met fysiologisch serum.

    4.5.2.Monsters afkomstig van de verpleegeenheden

    • Worden gefixeerd volgens de algemene richtlijnen.
    • Worden overhandigd aan de verantwoordelijke van het lokaal “afgifte monsters” (dienst anatomo-pathologie, verdieping -1; openingsuren 08:30-16:30).
    • Deze monsters kunnen eveneens naar het centrale trieercentrum (gebouw Louis Tielemans) gebracht worden.

    4.5.3.Monsters afkomstig van de raadplegingen

    • Worden gefixeerd volgens de algemene richtlijnen.
    • Worden op regelmatige tijdstippen opgehaald door een koerier van de dienst anatomo-pathologie.
    • Deze monsters kunnen eveneens naar het centrale trieercentrum (gebouw Louis Tielemans) gebracht worden.

    4.5.4.Monsters afkomstig van het operatiekwartier

    • Worden gefixeerd  volgens de algemene richtlijnen. De afmeting van het recipiënt dient aangepast te worden aan de afmeting van het operatiestuk.
    • Operatiestukken die een kwaadaardige tumor bevatten worden niet gefixeerd. Ze worden opgehaald zodra het weefsel beschikbaar is. Labo anatomo-pathologie verwittigen op interfoon of telefoon 5091.
    • Het voorgaande is ook van toepassing voor bepaalde testen die onuitvoerbaar zijn  op gefixeerd materiaal (vb.: immunofluorescentie, immunofenotypering, histo-enzymologie).
    • De operatiestukken die niet dringend afgehaald worden, moeten in de koelkast in de niet steriele gang geplaatst worden. Daar worden ze meerdere keren per dag opgehaald door een koerier van labo anatomo-pathologie.

    4.5.5.Vriescoupes

    • Definitie: Peroperatoir onderzoek d.m.v. histologische preparaten, gemaakt van ongefixeerd  weefsel met de bedoeling het verdere verloop van de ingreep te bepalen.
    • Geplande vriescoupes: op het operatieprogramma wordt naast de naam van de patiënt vermeld “+ vriescoupe”.
    • Niet geplande vriescoupes: gelieve voldoende klinische informatie op de aanvraag te vermelden. Indien nodig neemt de chirurg contact op met de patholoog. Indien de vriescoupe verwacht wordt na 17:00 uur, gelieve het labo anatomo-pathologie te verwittigen (tel 5091).
    • Monsters voor vriescoupe ophalen: Als het weefsel beschikbaar is, onmiddellijk het labo anatomo-pathologie verwittigen via telefoon (5091) of interfoon (5091).
    • Het resultaat wordt telefonisch of via intercom doorgegeven naar het OK. Indien anders gewenst, gelieve een dect- of telefoonnummer op de aanvraag te vermelden.

    4.5.6.Cytologische onderzoeken

    4.5.6.1. Cervixcytologie

    1. Alle intra-muros afnames worden gefixeerd in recipiënt CYTOGYN
    2. Voor afnames door extra-muros gynaecologen dient een regeling besproken te worden met de sectorverantwoordelijke, Dr. C. Bourgain, tel: 02-477 50 92.
    3. Voor HPV DNA subtypering zie  “Moleculaire Pathologie” in de alfabetische lijst.

    4.5.6.2. Andere afnames, inbegrepen aspiratiecytologie

    1. Aspiratiecytologie wordt afgenomen met fijne naald van 21 tot 23 gauge. Het monster wordt onmiddellijk gefixeerd in CYTO-R. De naald uitspoelen met cytorich-R.
    2. CSV: fixatie in CYTO-B. De naald uitspoelen met cytorich-B.
    3. Urine: monster overbrengen in recipiënt CYTO-UR en gelijke hoeveelheid alcohol 70° bijvoegen.
    4. Ascites-en pleuravocht: niet fixeren.
    5. Andere afnames: zie alfabetische lijst.

    4.5.7.Urgenties

    • Voor vriescoupes buiten de normale werkuren of tijdens het weekend: de private telefoonnummers zijn gekend op het operatiekwartier.

    4.5.8.Resultaten

    • Resultaten worden in het elektronisch medisch dossier ingevoerd en zijn meestal 4 werkdagen na ontvangst van het monster beschikbaar. (Uitzondering: 30 werkdagen na ontvangst voor elektronenmicroscopie en 10 werkdagen voor moleculaire pathologie)
    • Voor de biopten wordt enkel een uitgeprint protocol naar de aanvrager gestuurd indien hier uitdrukkelijk om gevraagd werd
    • Voor de cytologische onderzoeken wordt steeds een uitgeprint protocol naar de  aanvragende verpleegeenheid gestuurd.
    • Voor de protocols van extra-murale monsters  dient de aanvrager afspraken hieromtrent te maken met de sectorverantwoordelijke.
     

    4.5.9. Autopsies

    De overleden patiënten moeten onmiddellijk naar het mortuarium vervoerd worden. De aanvragen tot autopsie die na 09:00 uur in de dienst aankomen kunnen niet steeds dezelfde dag behandeld worden. Samen met de aanvraag tot autopsie moet het dossier van de overleden patiënt aan de patholoog worden overgemaakt. Er zal geen bezoek in het mortuarium worden toegelaten buiten de bezoekuren (08:00-09:00 en 14:00-17:00), dit om het verloop van de lijkschouwingen niet te verstoren. Voor alle overledenen dient een autopsie-aanvraag te worden ingevuld; indien er familiale of ethische bezwaren zijn dient dit duidelijk vermeld op de aanvraag. Autopsies zijn verplicht bij weefseldonoren

    5.Laboratoriumontledingen bij een vermoeden van een aangeboren stofwisselingsziekte

    Bij acute episodes: bloed- en urinemonsters zo snel mogelijk collecteren.
    Voor elke nieuwe patiënt dient een formulier met klinische gegevens samen met de monsters naar het trieercentrum gestuurd te worden.

    5.1. Ontledingen bij metabole oppuntstelling

    bloed

    afname

    minimum volume

    glucose, ureum, ionogram, CK, ALT, AST, GT, calcium, urinezuur, cholesterol, triglyceriden

    H 5 of 2x H micro

    1 mL 

    ammonia, aminozuren

    H 5 of 2 x H micro in ijs

    1 mL

    bloed-pH en bloedgassen

    2 x CAP in ijs

    2x 0.1 mL

    pyruvaat (buis volledig vullen)

    CIT 1.4 in ijs

    1.4 mL

    lactaat, vrije vetzuren, 3-OH-boterzuur

    G 5 in ijs

    2 mL

    acylcarnitines

    Guthriekaart

    6 druppels

    hematologie

    EDTA 2.7 of EDTA micro

    0.5 mL

    urine    
    aminozuren, organische zuren, purines & pyrimidines

    SUB

    5 mL

    5.2. Aanvullende ontledingen voor specifieke aandoeningen

    galactosemie, fructosemie

    chromatografie van mono- en disacchariden

    SUB

    5 mL

    galactotransferase*

    H 5 of 2 x H micro

    1 mL

    *trieercentrum 2 dagen op voorhand verwittigen 

    peroxisomale stoornissen

    extra lange vetzuren, fytaanzuur, galzuren

    H 5

    3 mL

    galzuren in urine

    PP

    20 mL

    lysosomale stoornissen  

    mucopolysacchariden, oligosacchariden, siaalzuur

    SUB

    10 mL

    lysosomale enzymen*

    S 10 + H 10

    beide 10 mL

    *monsters vóór 14 h op trieercentrum afgeven  

    mitochondriale stoornissen / lactaatacidose  

    lactaat*, vrije vetzuren*, 3-OH-boterzuur*

    G 5 in ijs

    2 mL

    pyruvaat* (buis volledig vullen)

    CIT 1.4 in ijs

    1.4 mL

    *nuchter en 1h postprandiaal 
    mitochondriaal DNA

    EDTA 2.7

    2.7 mL

    hyperammonemie  

    orootzuur

    SUB

    5 mL

    cerebrospinaal vocht (onmiddellijk naar het trieercentrum brengen)  

    totale proteïnen, lactaat, pyruvaat

    GB in ijs

    2 mL

    aminozuren, organische zuren

    GB in ijs

    2 mL

    HVA en 5-HIAA

    GB in ijs

    1 mL

    GABA

    GB in droogijs

    1 mL

    5MTHF GB in droogijs 1 mL

    5.3. Varia

    bloed

    afname

    minimum volume

    7-dehydrocholesterol

    H 5

    3 mL

    alpha-aminoadipinezuur semialdehyde

    H 5 of 2 x H micro

    1 mL

    biotinidase

    H 5 of H micro

    0.5 mL

    ceruloplasmine, koper

    S 5

    3 mL

    pipecolzuur

    H 5 of 2 x H micro

    1 mL

    TBG, sialotransferrines

    S 5

    3 mL

    urine
    alpha-aminoadipinezuur semialdehyde

    SUB

    5 mL

    guanidinoacetaat SUB 5 mL

    pipecolzuur

    SUB

    5 mL

    cerebrospinaal vocht (onmiddellijk naar het trieercentrum brengen)  
    alpha-aminoadipinezuur semialdehyde

    GB in ijs

    1 mL

    pipecolzuur

    GB in ijs

    1 mL

     

    Naar hoofdindex van de Labogids.